Vrijheid

Vrijheid
Posts tonen met het label Vrijheid en economie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vrijheid en economie. Alle posts tonen

Make Mine Freedom



Dit cartoon van 1948 vol anticommunistische propaganda werd gecreëerd door enkele studenten van de Extension Department of Harding College en was een productie van John Sutherland. Door dit filmpje tracht men de Amerikaanse burgers op ludieke wijze attent te maken voor één van de grootste valstrikken van de vrijheid, namelijk het communisme.

Het filmpje begint met een uitgebreide uiteenzetting van wat vrijheid voor de gemiddelde Amerikaan betekent: vrijheid om een job te kiezen, vrijheid om zijn eigendom te beschermen, vrijheid van religie, vrije meningsuiting, vrede, veiligheid, vrijheid van foltering of andere wrede straffen, recht op een snel en eerlijk proces, stemrecht, etc. Kortom alle grondbeginselen voor een democratische samenleving. Men verwijst hier dus duidelijk naar de verschillende percepties omtrent vrijheid en toont aan dat vrijheid een uiterst subjectief begrip is. Alhoewel Amerika symbool staat als het land dat al deze persoonlijke vrijheden zou moeten garanderen, komen er van de Amerikaanse bevolking in het filmpje verschillende klachten. Zo klaagt men over het slechte management, problemen op de arbeidsmarkt en een gebrek aan vertrouwen in de Amerikaanse politiek.
Het antwoord op alle problemen wordt gegeven door een mysterieuze man. Hij schotelt de bevolking een klein flesje wonderdrank van dokter Utopia voor dat ISM(1) genaamd is. Als je dit drankje inneemt, zullen alle politieke problemen meteen opgelost zijn. Zo zou men kunnen genieten van kortere werktijden, een beter salaris, lagere kosten en meer zekerheid. En de prijs voor dit magische goedje? De vrijheid van jezelf en je nageslacht opgeven.
Natuurlijk is iedereen razend enthousiast over dit wondermiddel en lijkt het opgeven van hun vrijheid slechts een kleine prijs voor de positieve veranderingen die dokter Utopia belooft. Tot plots John Q. Public(2), die zich tot nog toe op de achtergrond gehouden had, zich in het gesprek mengt en de bevolking waarschuwt wat er zal gebeuren als men zijn vrijheid zou opgeven. Hij geeft toe dat hun systeem van vrije onderneming misschien niet perfect is, maar dat het toch al grootse realisaties heeft mogelijk gemaakt. Hij geeft het voorbeeld van Joe Doakes, een gewone man die plots een lumineus idee kreeg en een automobiel uitvond (in het verhaal althans). Door de financiële steun van enkele vrienden en familie, was hij in staat het nodige materiaal aan te kopen om zijn uitvinding op de markt te brengen. Ondertussen zorgt deze uitvinding voor een immense industrie en miljoenen jobs over heel de wereld. Hiermee wil John Q. Public dus aantonen dat alle grote industrieën ooit door een kleine investering tot stand zijn gekomen. Vervolgens geeft hij nog enkele andere voorbeelden die door het kapitalistische systeem zijn mogelijk gemaakt.
John Q. Public stelt dus voor dat men eerst een slokje proeft van het wondermiddel voor men achteloos zijn vrijheid opgeeft. De gevolgen zijn zoals verwacht alles behalve veelbelovend. In de wereld van het (commun)ISM heeft de Staat alles voor het zeggen en verliest de burger het recht op vrije meningsuiting, het recht op bezit; alle goederen worden collectief en enige vorm van protest wordt meteen tenietgedaan. Na dit voorproefje kiest iedereen uiteraard meteen voor het Amerikaanse kapitalisme. John Q. Public herinnert de Amerikaanse bevolking er nogmaals aan dat het de samenwerking is om een overvloed van materiaal en spirituele waarden te produceren voor iedereen, dat Amerika heeft groot gemaakt en doet blijven groeien.

Eerst en vooral wil ik er nogmaals duidelijk op wijzen dat dit cartoon dateert van 1948, het begin van de koude oorlog dus, en gemaakt werd als anticommunistische propaganda door een Amerikaanse universiteit. Elke vorm van objectiviteit gaat hier dus uiteraard verloren. Hoewel het filmpje zich zo’n 60 jaar geleden situeert, heeft het tot op vandaag nog een zeer grote invloed. Er bestaan immers verschillende fora die de zware politieke inhoud van dit ludieke cartoon vanuit een modern perspectief becommentariëren. Enkele belangrijke tegenargumenten voor de verafgoding van het Amerikaanse kapitalistische systeem zijn het corporatisme, de creatie van een politiestaat en de grote problemen op de arbeidsmarkt. Ook hebben verschillende critici commentaar op de dubbelzinnigheid van het propaganda filmpje. Hiermee ga ik akkoord. Er wordt immers nooit over communisme of socialisme gesproken, men laat dit enkel sterk doorschemeren. Men gaat eerder algemeen in tegen de opgave van vrijheid voor eender welke vorm van ‘isme’ in de wereld. Maar houdt kapitalisme ook niet deels het opgeven van vrijheid in? Men kan toch niet ieders vrijheid realiseren zonder deze van een andere voor een deel te ontnemen? In een samenleving moet men toch steeds een deel van zijn eigen vrijheid opgeven, hoe kan men anders met anderen samenleven? Ik ben van mening dat een kapitalistische samenleving nooit kan bestaan zonder een vorm van geïntegreerd socialisme. Men moet een middenweg zoeken tussen het verdedigen van ieders vrijheden en het vooropstellen van gemeenschappelijke belangen die in een maatschappij leven.

(1) Het engelse woord ism stelt het geheel van opvattingen voor met betrekking tot wat door het grondwoord wordt genoemd (Van Dale).

(2) John Q. Public is een generische naam in de VS ter aanduiding van een hypothetisch lid van de maatschappij; hij stelt de ‘gewone man op de straat’ voor en heeft geen uitgesproken politieke of sociale mening. (Wikipedia)

Bronnen en verwijzingen:

Harding College (1948). ‘Make Mine Freedom’.
http://www.youtube.com/watch?v=mVh75ylAUXY

Van Dale Taalweb (geraadpleegd op 29 december 2007).
http://www.vandale.be/

Wikipedia. The free encyclopedia (geraadpleegd op 29 december 2007).
http://en.wikipedia.org/wiki/Main_Page

Met fysieke beperkingen van onafhankelijkheid naar vrijheid

Zoals in het woordenboek komt ‘onafhankelijkheid’ ook in het dagelijkse leven steeds voor ‘vrijheid’. Iedereen heeft het recht op vrijheid, hoewel dit voor de één niet altijd zo vanzelfsprekend is als voor de ander. Personen met een handicap zitten fysiek en/of mentaal gevangen in de beperkingen van hun eigen lichaam. Vrijheid moet dus in de sensu lato betekenis van het woord geïnterpreteerd worden. In onze westerse samenleving vol uitdagingen en bewegingsvrijheden, is het de rol van de overheid om gehandicapten de kans te geven zich zo goed mogelijk in de maatschappij te integreren. In dit opzicht is de huidige budgettaire regelgeving voor personen met een handicap voorbijgestreefd. Wie opvang zoekt komt nu op een wachtlijst terecht tot er ergens in een instelling een plaats vrijkomt. De vrijgekomen plaats beantwoordt dan vaak niet aan de hulp en de zorg die de persoon in kwestie nodig heeft. Personen met een Niet Aangeboren Handicap (NAH) hebben bijvoorbeeld niet dezelfde eisen en verlangens als personen met een aangeboren handicap, die in tegenstelling tot de NAH-patiënten nooit een normaal leven hebben gekend. Bovendien is afhankelijkheid van familie, vrienden of een instelling mentaal zwaar te dragen. Onaangepaste hulp maakt het aanvaarden van deze afhankelijkheid nog moeilijker.

Het huidige Vlaamse beleid is aan modernisering toe en zou in de voetsporen van Groot-Brittannië, Nederland en Zweden kunnen treden (naar de ‘Verklaring van Brussel’ en de unaniem goedgekeurde resolutie van Bart Caron). Daar wordt het principe van ‘individuele financiering’ of ‘persoonsgebonden budget’ toegepast. Dit houdt in dat overheidssubsidiëring niet naar instellingen gaat maar naar de gehandicapten zelf. Dit systeem biedt gehandicapten de mogelijkheid zelf de hulp en persoonlijke, huishoudelijke of sociale diensten te kopen die zij nodig hebben. Het budget kan ook aangeworven worden voor de verschaffing van technische hulp en uitrusting.

Het principe van individuele financiering kende in de jaren ‘70 haar grondslag in de Verenigde Staten. Wat bekend werd als de Amerikaanse ‘Independent Living Movement’ (ILM) kwam voort uit het initiatief van een paar Amerikaanse studentenverenigingen. Tijdens de jaren ’60 werden in een paar Amerikaanse universiteiten namelijk ‘zelfhulpprogramma’s’ uitgewerkt om personen met een ‘zware’ fysieke handicap de kans te geven de voornaamste vakken te volgen. Later bereikte het idee ook Groot-Brittannië, waar het nu door de overheid wordt toegepast. Volgens Colin Barnes (2007) is de filosofie van het ‘onafhankelijke leven’ gebaseerd op vier basisprincipes:

  • all human life, regardless of the nature, complexity and/or severity of impairment is of equal worth,
  • anyone whatever the nature, complexity and/or severity of their impairment has the capacity to make choices and should be enabled to make those choices,
  • people who are disabled by societal responses to any form accredited impairment –physical, sensory or cognitive- have the right to exercise control over their lives,
  • people with perceived impairments and labelled ‘disabled’ have the right to participate fully in all areas, economic, political and cultural, of mainstream community living on a par with non-disabled peers.

Het toekennen van een persoonsgebonden budget geeft de gehandicapte meer keuzevrijheid en meer controle over zijn eigen leven, wat op zich meer zelfvertrouwen geeft. Het verlicht eveneens de druk op familie en vrienden. Een adequate opvolging en aanmoediging van de overgang naar de nieuwe regeling mag echter niet uit het oog verloren worden, daar het onbekende tot onzekerheid kan leiden. Zoals de ervaring uit Engeland het leert (Barnes, C., 2007) is een nauwgezette opvolging door de overheid van bijzonder belang. De korte termijn investeringen zullen op lange termijn hun vruchten afwerpen en gehandicapten gemakkelijkere toegang bieden tot faciliteiten die niet-gehandicapten vanzelfsprekend achten.

dl

Bronnen

Barnes, C. (2007). ‘‘Direct Payments’ for Personal Assistants for Disabled People: a key to independent living ?’, background notes to a verbal presentation at The Centre for Independent Living Conference ‘Independent Living 2007’, University of Leeds, Dublin.

http://www.persoonsgebondenbudget.be/ (december 2007)


Ontwikkeling, meer dan vrijheid?

Het artikel “Development as Freedom – and as What Else?” (Gasper & van Staveren, 2005) bespreekt het vrijheidsbegrip van Amartya Sen vanuit feministische (economische) hoek. De vraag wordt gesteld in welke mate het begrip ‘vrijheid’ en zeker de invulling van ‘ontwikkeling’ als vrijheid een bijdrage kan leveren aan de analyse van ongelijke genderverhoudingen.

Gasper & van Staveren (2005) doen dit door eerst Sen’s concept van ‘positieve vrijheid’ en de voordelen hiervan voor een feministische economie toe te lichten, daarna expliciteren zij welke gevaren verbonden zijn aan het teveel benadrukken van ‘vrijheid’ als dé dominante waarde in het beoordelen van individueel welzijn en sociale ontwikkeling. Als laatste geven ze een voorstel voor een bredere invulling van ontwikkeling: ‘als meer dan vrijheid’- in het verlengde van de aanvullingen van Martha Nussbaum op het werk van Sen.

Amartya Sen beschouwt ‘vrijheid’ als doel en als middel van ontwikkeling. Hij benadrukt wat Isaiah Berlin noemt ‘positieve vrijheid’, de mogelijkheid om te zijn en te doen. Dit gaat verder dan ‘negatieve vrijheid’: vrij zijn van inmenging, wat door voorstanders van de vrije markt zoals Milton Friedman wordt ingevuld als de afwezigheid van de overheid in de markt. Sen’s omschrijving van vrijheid als meer dan afwezigheid van ‘bemoeienis’ is iets waar feministische economen het zeker mee eens zijn.
De kritiek van Sen op de negatieve uitwerking van vrijheid maakt deel uit van een bredere kritiek op de mainstream economie en het ontwikkelen van een alternatief kader (de HDI) om ontwikkeling te ‘meten’. Zijn ‘capability approach’ maakt duidelijk dat het evalueren van het welzijn van iemand meer inhoudt dan het meten van het BNP per capita. Er moet gekeken worden naar hoe mensen werkelijk leven, zijnde hun ‘functionings’ en welke vrijheid ze hebben om te bepalen hoe ze leven, hun ‘capabilities’. ‘Vrijheid’ invullen als de ‘capability to achieve valued ends’ geeft de mogelijkheid om de genderblindheid [1] van het dominante neoliberale macro-economische beleid en de ‘onvrijheid’ van vrouwen binnen dat systeem aan te tonen . Vrouwen zijn minder ‘vrij’ dan mannen, ze beschikken in het algemeen over minder ‘capabilities’ om het leven van hun keuze te leiden. Dit omdat ze, zeker in het Zuiden sterk beperkt worden door de heersende genderverhoudingen waardoor meisjes en vrouwen minder scholing genieten en beschikken over een beperktere toegang tot de publieke sfeer en de arbeidsmarkt. Bovendien worden traditioneel vrouwelijke taken zoals ‘zorgdragen voor’ minder gewaardeerd of zelfs niet erkend. Deze zaken veranderen vraagt echter meer dan negatieve vrijheid.

In “Development as Freedom” (1999) legt Sen meer nadruk op het concept van ‘vrijheid’ dan in zijn eerdere werken. Hij beschrijft vrijheid als hét concept om menselijk welzijn te kunnen meten. Alle capabilities worden begrepen als vrijheden. Er wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen de waarde van autonoom te kunnen handelen en andere waarden zoals solidariteit en zorg. Wanneer Sen vrijheid echter gebruikt als een koepelbegrip voor alle waarden die bijdragen tot (individueel) welzijn en ontwikkeling bestaat het gevaar dat bepaalde waarden te weinig aandacht zullen krijgen. Waarden zoals democratie, respect en vriendschap, waarden die beperkingen kunnen opleggen aan de individuele (wils)vrijheid, maar niettemin onontbeerlijk zijn voor welzijn en ontwikkeling. Het concept van ‘vrijheid’ als paraplubegrip voor alle waarden die zin geven aan het menselijk leven wordt dan ook minder geschikt voor het beschrijven, motiveren en uitvoeren van beleidsaanbevelingen met betrekking tot het verhogen van de menselijke ontwikkeling en welzijn. Vooral zorgende (vrouwelijke) rollen kunnen moeilijk beschreven worden vanuit een streven naar (wils)vrijheid, wat niet wil zeggen dat ze niet bijdragen tot het welzijn van zowel verzorgers en verzorgden.
Een tweede kritiek die geuit wordt op het vrijheids- en capability concept zoals gehanteerd in “Development as Freedom” is dat het begrip vrijheid niet genoeg onderscheid maakt tussen capabilities als mogelijkheden/ kansen en capabilities als vaardigheden.

Vandaar dat Gasper en van Staveren (2005), in navolging van Nussbaum, een andere begripshantering voorstellen waarbij andere waarden (als doel en middel) dan vrijheid als even belangrijk voor ontwikkeling en welzijn worden beschouwd. En waarbij ‘capabilities’ een ruimere en meer gespecifieerde invulling krijgen [2] en zowel vaardigheden als kansen omvatten.
Ontwikkeling wordt vanuit feministische hoek omschreven als bestaande uit vrijheid, rechtvaardigheid en zorg. Hierdoor wordt het dualisme overschreden dat bestaat tussen het nastreven van individuele vrijheid (om te doen wat men wil) en de ‘vrouwelijke’ zorgende taken. Er wordt erkend dat personen zowel nood hebben aan individuele keuzevrijheid als aan verzorgd worden en dat zowel beschikken over individuele keuzevrijheden als zorgen voor bijdraagt tot het individueel welzijn; hoewel het ene het andere beperkingen oplegt. Als ontwikkeling en persoonlijk welzijn inhoudt dat men beschikt over (wils)vrijheid, de mogelijkheid en vaardigheid van het zorgen voor en zelf verzorgd worden dan betekent dit ondermeer dat er geijverd moet worden voor een rechtvaardige (her)verdeling van zorgtaken van vrouwen naar mannen. Dit zou zowel een verhoging van de vrijheid van vrouwen betekenen als een verhoogde capaciteit tot zorgen voor mannen, met andere woorden: meer welzijn en ontwikkeling voor beiden.

Gasper en van Staveren (2005) tonen in hun artikel overtuigend aan dat ‘ontwikkeling’ of ‘welzijn’ niet gelijkgesteld kan worden aan ‘vrijheid’, begrepen als het beschikken over de individuele vrijheid om te doen wat men wil. Deze vrijheid is begrensd door de zorg en verantwoordelijkheid voor anderen, door respect voor andermans vrijheid, door respect voor de (eigen) leefomgeving. Alle libertariërs ten spijt, er zijn grenzen aan de individuele vrijheid. Bovendien, zo stellen Gasper en van Staveren (2005) is een minimum aan vrijheden voor iedereen te verkiezen boven de vrijheid van enkelen en de onvrijheid van velen. Menselijke ontwikkeling omvat naast vrijheid en zorg ook rechtvaardigheid.

Bronnen

Gasper, D. & van Staveren, I. (2005). Development as Freedom – and as What Else? In B. Agarwal, J. Humphries, I. Robeyns (Eds.), Amartya Sen’s Work and Ideas. A Gender Perspective (pp.139-170). Londen: Routledge.

Sen, Amartya (1999). Development as Freedom. New York: Oxford University Press

[1] De man als kostwinner van het gezin beschouwen en het huishouden als kleinst meetbare eenheid nemen, het negeren van de onbetaalde (zorg)arbeid van vrouwen en besparen in sociale voorzieningen.

[2] Martha Nussbaum heeft 10 categorieën gemaakt van belangrijke capabilities: life; bodily health; bodily integrity; senses, imagination and thought; emotions; practical reason; affiliation; other species; play and control over one’s environment.

De ‘vrijheid’ van de vrije markt

M. Friedman ‘unmasked’

Het treft me telkens weer dat voor- en tegenstanders van kapitalisme, (neo)liberalisme, globalisering, vrije markten, etc. dezelfde gebeurtenissen aanhalen om hun argumenten kracht bij te zetten. Dezelfde cijfers en statistieken worden gebruikt om tegenovergestelde ideologieën te verdedigen. Dit maakt wel zeer duidelijk dat er niet zoiets bestaat als een ‘objectieve’ of ‘neutrale’ lezing van de geschiedenis of van de actualiteit. De vraag ‘wie heeft er dan gelijk?’ blijft wel. Brengt de vrijheid van de vrije markt meer welvaart én meer vrijheid zoals Milton Friedman beweert of zijn die vrije markten helemaal niet in vrijheid tot stand gekomen en leiden deze net tot heel veel ellende zoals zijn tegenstanders beweren[1].

Milton Friedman, dé voorstander van het vrije marktkapitalisme en een beperkte overheid wordt door sommigen de hemel in geprezen, door anderen vervloekt. In deze blog bespreek ik enkele van zijn gecontesteerde stellingen, hiervoor baseer ik mij ondermeer op het artikel “Capitalism and Freedom Unmasked” van Stephen Lendman[2] (2007), maar ook andere bronnen werden geraadpleegd.

Lendman beschrijft de geschiedenis en actualiteit van Chili, Bolivia, Rusland, Zuid-Afrika, Haïti, Afghanistan, Irak en de VS om aan te tonen dat een losgelaten markt in de praktijk heeft geleid tot de verrijking van een kleine elite en de verarming en/ of onderdrukking van het merendeel van de bevolking. Eigenaardig genoeg gebruikt Friedman[3] dezelfde cases, ondermeer het voorbeeld van Rusland en de VS, om aan te tonen dat het de overheden zijn die milieuvervuiling en armoede veroorzaken en dat de vrije markt welvaart heeft gecreëerd in deze landen.

Wellicht hebben beiden zowel gelijk als ongelijk. Het vrijemarktkapitalisme is niet de schuld van alles wat er misgaat in de wereld en overheden handelen jammer genoeg niet altijd in het belang van hun bevolking, toch ben ook ik ervan overtuigd dat het marktsysteem volgens de principes van Friedman meer kwaad dan goed doet en gebaseerd is op een fout mens- en beperkt vrijheidsbeeld.

Friedman stelt dat de “world runs on individuals who pursuit their own interest”[4]. Hij beschouwt de mens als een wezen dat voortdurend (rationele) keuzes maakt in functie van zijn eigen belangen. Hierbij definieert hij ‘eigenbelang’ als ‘wat het individu wil’ en dit is meer dan alleen geld of materiële zaken. Bovendien, zo beweert Friedman (2007), komt dit handelen uit eigenbelang de hele gemeenschap ten goede. En dus moeten individuen ‘vrij’ zijn om hun eigen interesses na te streven, zij mogen niet beperkt worden door overheden.

Friedman[5] onderscheidt drie soorten vrijheiden: vrijheid voor het uitvoeren van economische transacties (kopen en verkopen), (burgerlijke) vrijheid van meningsuiting en (politieke) vrijheid om de eigen leiders te kiezen. Economische vrijheid kan bestaan zonder burgerlijke en politieke vrijheden, maar zal volgens Friedman wel leiden tot deze vrijheden. Die economische vrijheid is bovendien gebaseerd op privé-bezit want, zoals eerder gezegd, de mens is een rationeel wezen dat de eigen belangen nastreeft en “nobody is going to take as good care of someone else’s property as his own”3 en “no one spends somebody else’s money as carefully as he spends his own” (Friedman, 2007).

Bij bovenstaande redenering zijn heel wat bedenkingen te maken.

Ten eerste is de mens geen wezen dat enkel handelt uit eigenbelang, mensen handelen ook uit liefde, uit zorg voor en met vertrouwen in elkaar[7]. Verder beseffen mensen niet altijd wat goed voor hen is of wat ze eigenlijk willen. Hoe verklaar je roken, drugsgebruik of alcoholmisbruik als individuen altijd zouden handelen uit eigen belang? Hoe verklaar je dat mensen het milieu vernietigen en anderen uitbuiten? Op termijn zal dit altijd tegen hen keren, ze verliezen bewegingsvrijheid door beveiligingsmaatregelen en ze moeten het doen met minder zuivere lucht, water, groene ruimtes, …. Is dit in het eigen belang?

Ten tweede vertoont de pleidooi van Friedman voor een beperkte overheid contradicties. Hij is tegen een sterke overheid omdat het volgens hem niet mogelijk is dat overheden, die bestaan uit individuen, handelen in het belang van het volk. Ik ga ermee akkoord dat politiekers te weinig optreden ten dienste van hun volk, maar ik begrijp niet waarom Friedman meent dat het individueel handelen uit eigenbelang binnen een overheidsysteem nadelig is voor de gemeenschap en dat het individueel nastreven van de eigen interesses binnen het marktsysteem voordelig zou werken voor de hele samenleving. Wat is het verschil? De markt is geen magisch systeem dat opereert onafhankelijk van menselijke beslissingen en handelingen. Zowel overheden als markten worden gedreven door individuen en dus kunnen zowel markten als overheden negatieve gevolgen hebben als diegenen die de macht in handen hebben enkel oog hebben voor de eigen materiële winsten. Vandaar ook dat het de bedoeling is dat in een democratie leiders gekozen worden die optreden ten dienste van de bevolking en dus grenzen stelt aan economische ‘machten’ ten voordele van mens en milieu. Er is een instantie, zoals een overheid, nodig die beperkingen oplegt aan individuen voor hun eigen goed. Jammer genoeg bestaat die instantie ook uit mensen en is dus niet foutloos[8]. Maar een verkozen macht die verantwoording moet afleggen aan zijn burgers is volgens mij nog altijd te verkiezen boven anonieme ‘marktkrachten’ zonder zichtbaarheid, zonder verantwoordelijkheid voor zijn medemens.

Ten derde klopt zijn stelling omtrent privé-bezit niet. Volgens Friedman leidt privé-eigendom tot een efficiënt gebruik van middelen. De oplossing voor bijvoorbeeld het milieuprobleem is het privatiseren van alle natuurlijke hulpbronnen. Hardin beweerde dit reeds in ’68 in zijn artikel “The Tragedy of the commons”. Deze theorie is echter gebaseerd op aannames die door latere studies onderuit zijn gehaald. Zo worden natuurlijke rijkdommen in het algemeen wel beschermd wanneer zij in handen zijn van gemeenschappen in tegenstelling tot het privé-bezit in handen van individuen die enkel uit zijn op zoveel mogelijk geld vergaren (Breusers, n.d.). En dat de privatisering van de gezondheidszorg en het onderwijs niet noodzakelijk leidt tot een betere kwaliteit of grotere toegankelijkheid daar zijn in de VS, waar de theorieën van Friedman in de praktijk werden gebracht, vele voorbeelden van te vinden.

Tenslotte zijn er ook kanttekeningen te maken bij het begrip ‘economische vrijheid’ en bij de stelling dat die economische vrijheid zou leiden tot burgerlijke en politieke vrijheden.

Zo kan de vraag gesteld worden wie er eigenlijk die ‘economische vrijheid’ bezit. Als economische vrijheid betekent vrij zijn om te kopen en te verkopen, dan wordt het snel duidelijk dat niet iedereen diezelfde ‘vrijheid’ of macht bezit. Vroegere bewoners van de kustgebieden getroffen door de Tsunami moeten nu toezien hoe deze gebieden verkocht worden aan de meest biedende om hotels en privé-stranden van te maken. Voormalige inwoners van New Orleans zien kantoren en commerciële complexen verrijzen waar vroeger hun (sociale) woningen stonden[9]. En dat economische vrijheid tot burgerlijke en politieke vrijheden zou leiden, daar zijn ook wel een aantal tegenvoorbeelden voor te vinden waaronder China, Chili onder Pinochet en Kenia onder Moi.

Het is wel duidelijk dat de theorieën van Friedman en de zijnen niet kunnen werken in de praktijk, als hun onderliggende aannames al niet kloppen. Ik hoop enkele van de ‘fouten’ in zijn veronderstellingen verduidelijkt te hebben.


Bronnen

Breusers, M. (n.d.). Economische antropologie: de sociaal-culturele inbedding van economieën in Noord en Zuid. [CD-Rom Infocycle BTC, verkregen september 2007].

Friedman, M. (2007). Americans should be free to choose [elektronische versie]. USA Today Magazine, 135 (2740).

Greider, W. (2006, 11 december). Friedman's Cruel Legacy.
http://www.thenation.com/doc/20061211/greider

Lendman, S. (2007, 5 oktober). Capitalism and Freedom Unmasked. Milton Friedman.
http://www.thirdworldtraveler.com/Economics/Milton_Friedman_Unmasked.html

Milton Friedman Interview: Three Categories of Freedom [film fragment]. www.youtube.com

Milton Friedman – Greed [film fragment]. www.youtube.com

Milton Friedman on Libertarianism (Part 1 & 2 of 4) [film fragment]. www.youtube.com

http://www.naomiklein.org/shock-doctrine

http://www.catapa.be/?page=Peru

[1] Zie ondermeer “The Shock Doctrine: The Rise of Disaster Capitalism” van Naomi Klein.

[2] http://www.thirdworldtraveler.com/Economics/Milton_Friedman_Unmasked.html

[3] Milton Friedman on Libertarianism (Part 1 & 2 of 4) [film fragment]. www.youtube.com

[5] Milton Friedman Interview: Three Categories of Freedom [film fragment]. www.youtube.com

[6] Milton Friedman – Greed [film fragment]. www.youtube.com

[7] Zie ook de documentaire “The Trap” van Curtis.

[8] Ik ga niet op het falen van de huidige overheden en democratieën. Zie hiervoor ondermeer de commentaar van Rilke op deze blog omtrent de spanning tussen economische en politieke vrijheden of het boek van Noreena Hertz (2001) “The Silent Takeover, Global Capitalisme and the Death of Demoracy”.

Het spanningsveld tussen politieke en economische vrijheid

Commentaar op artikel
Reich, Robert, (2007). How capitalism is killing democracy. Foreign Policy, sept/oct 2007.
Te vinden op: http://www.robertreich.org/reich/20070901.asp

Zijn politieke en economische vrijheid twee handen op een buik, ‘a match made in heaven’?
Of, anders geformuleerd, gaan democratie en kapitalisme, als geïnstitutionaliseerde vormen van die vrijheden, altijd hand in hand?
Conventionele wijsheid vertelt ons dat (macro-) economische vrijheid (kapitalisme*) leidt tot politieke vrijheid (democratie) en vice versa. Maar hoe steviger het kapitalisme globaal verankerd raakt, hoe minder evident dat verband wordt; integratie in de kapitalistische wereldeconomie blijkt lang geen garantie voor democratische transities (zie China, Rusland, de NIC’s).
Volgens Robert Reich is ook in de gevestigde democratieën de relatie tussen democratie en kapitalisme problematisch, meer nog, “no democratic nation is effectively coping with capitalism’s negative side effects” (zoals delokalisering, neerwaartse loondruk, arbeidsonzekerheid,...). Kapitalisme kan democratie ondermijnen; een gekend voorbeeld is de druk die grote bedrijven via intensief lobbywerk uitoefenen op hogere politieke besluitvormingsniveaus, waardoor de keuze en inspraak van de burger aan de kant geschoven wordt.
In zijn artikel ‘How capitalism is killing democracy’ stelt Robert Reich dat de democratie haar greep op het kapitalistisch economisch systeem verloren is, hoewel “democracy is designed to allow citizens to address these very issues [de negatieve neveneffecten van vrije markten] in constructive ways.
Interessant in zijn analyse is dat hij die evolutie niet louter wijt aan externe factoren, zoals almachtige en ongrijpbare multinationals of gewetenloze CEO’s, maar aan een tegenstelling van twee maatschappelijk ‘rollen’ die ieder van ons belichaamt: die van consumer en citizen.
Als consument (of investeerder, ondernemer) verdedigen we open markten en economisch liberalisme omdat het lage prijzen (en hogere winsten) garandeert. Als burger daarentegen, verwachten we zekerheid en een effectief democratische staatsbeleid dat het algemeen belang nastreeft. Die verschillende agenda’s leiden volgends Reich tot innerlijke conflicten met schizofrene reacties, waarbij de consument/investeerder/ondernemer doorgaans de bovenhand krijgt.
Reich haalt ook aan dat die alomtegenwoordigheid van de markt en de toegenomen klemtoon op ons ‘consument-zijn’ zorgt voor verwarring omtrent de verantwoordelijkheden van kapitalisme en democratie. De rol van kapitalisme “is to increase the pie” terwijl de democratie “at its best, enables citizens to debate collectively how the slices of the pie should be divided and to determine which rules apply to private goods and which to public goods”. Maar volgens Reich worden de functies van de democratie vandaag meer en meer overgelaten aan de markt, en zijn wij daar zelf voor verantwoordelijk: “If the purpose of capitalism is to allow corporations to play the market as aggressively as possible, the challenge for citizens is to stop these economic entities from being the authors of the rules by which we live.”

Moraal van Reich’s verhaal: we moeten als plichtsbewuste burgers de democratie in ere herstellen door het kapitalisme aan banden te leggen, economische vrijheid moet onderworpen worden aan politieke vrijheid: “The only way for the citizens in us to trump the consumers in us is through laws and rules that make our purchases and investments social choices as well as personal ones”. De politieke keuze van de burger voor een lage sociale kost van mondiaal kapitalisme moet dus primeren op de keuze van de consument voor goedkope producten.
Maar ergens knelt het schoentje: Reich stelt een nationaal beleid (door burgers afgedwongen in de nationale democratische context) voor om grensoverschrijdende problemen op te lossen die voortkomen uit een mondiaal fenomeen, kapitalisme. Een probleem zoals delokalisering van bedrijven naar lageloonlanden los je echter niet op door ‘laws and rules’ of extra taxen in eigen land (integendeel), tenzij je een radicaal protectionisme gaat nastreven (wat zeker Reich’s bedoeling niet is). Reich houdt in zijn model dus geen rekening met het aspect van internationale competitie. Hij neemt ook niet in rekening dat de macht van de burger min of meer ‘stopt’ bij de grenzen van de staat terwijl de macht van bedrijven die grenzen ver overschrijden, wat voor een machtsonevenwicht zorgt.
Kortom, terwijl hij in zijn analyse wél oog heeft voor structurele problemen, baseert hij zijn oplossing uiteindelijk op een aanwakkering van burgerbewustzijn, wat dan zou moeten leiden tot een sterkere democratie.